0 BEGIN PGM 9040_NL MM 1 ;NC-programma om de bestandsnaam automatisch 2 ;te bepalen en met behulp van een cyclus in 3 ;het werkstuk te graveren. 4 ;De besturing leest met een stringfunctie met 5 ;de desbetreffende ID het programmapad uit en 6 ;slaat dit in QS1 op. Daarna roept de besturing 7 ;een ander programma op waarin de besturing de 8 ;bestandsnaam uit het pad selecteert. 9 ;De bestandsnaam wordt dan weer in stringparameter 10 ;QS1 naar het oproepende programma verzonden. 11 ;Daar gebruikt de besturing deze naam dan als te 12 ;graveren tekst in cyclus 225. 13 ;Wanneer de gebruikte bestanden niet in dezelfde 14 ;directory staan, moet u de padgegevens in de 15 ;oproep aanpassen. 16 ; 17 BLK FORM 0.1 Z X+0 Y+0 Z-20 18 BLK FORM 0.2 X+100 Y+100 Z+0 19 ; 20 ;Gereedschapsoproep graveergereedschap 21 TOOL CALL 151 Z S25000 22 ; 23 ;Vrijzetten 24 L Z+100 R0 FMAX M3 25 ; 26 ;Met behulp van ID10010 NR1 bestandspad uitlezen 27 ;en in QS1 opslaan QS1 = SYSSTR( ID10010 NR1 ) 28 ; 29 ;Programma voor selecteren van de bestandsnaam 30 ;uit het pad oproepen 31 CALL PGM 90401_nl.H 32 ; 33 ;Bestandsnaam die in QS1 staat graveren 34 CYCL DEF 225 GRAVEREN ~ QS500= QS1 ;GRAVEERTEKST ~ Q513=+8 ;TEKENHOOGTE ~ Q514=+0 ;FACTOR AFSTAND ~ Q515=+0 ;LETTERTYPE ~ Q516=+0 ;TEKSTLAY-OUT ~ Q374=+0 ;ROTATIEPOSITIE ~ Q517=+50 ;CIRKELRADIUS ~ Q207=+2000 ;AANZET FREZEN ~ Q201=-0.1 ;DIEPTE ~ Q206=+150 ;AANZET DIEPTEVERPL. ~ Q200=+2 ;VEILIGHEIDSAFSTAND ~ Q203=+0 ;COORD. OPPERVLAK ~ Q204=+50 ;2E VEILIGHEIDSAFST. 35 L X+20 Y+40 R0 FMAX M99 36 ; 37 ;Vrijzetten 38 L Z+100 R0 FMAX 39 ; 40 ;Einde van programma 41 M30 42 END PGM 9040_NL MM